Historische Kring Gente

Archief: Ganita Mare 2015 no. 3

 

 

 


Ganita Mare is ons huisorgaan.
In deze sectie van onze site treft u vooral opmerkelijke zaken aan uit eerdere uitgaven van ons blad Ganita mare.
Deze pagina wordt met een zekere regelmaat vernieuwd, maar loopt altijd een jaar achter op de uitgebreidere papieren versie.

Enkele afbeeldingen op deze pagina kunnen door aanklikken vergroot worden.

Hieronder is op dit moment een kleine greep uit Ganita Mare 2015 no. 3 te lezen.
Voor de aktuele Ganita Mare moet u natuurlijk wel eerst even lid worden, dan krijgt u zelfs de papieren versie in uw brievenbus!

Dat leest nog makkelijker ook.


Onderwerpen:

 

 

 

 


Burgemeester zonder gezicht


Wie de bibliotheek en vergaderruimte van Villa Ganita binnenloopt, ziet onmiddellijk de serie portretten van burgemeesters die de gemeente Gendt van 1810 tot 2001 gehad heeft. Veertien gezichten kijken de bezoeker uit zestien mooi symmetrisch opgehangen lijsten aan. Veertien gezichten, want van de eerste twee burgemeesters hebben we geen afbeelding. Zijn dit alle burgemeesters? De vraag stellen is hem beantwoorden. Nee, er ontbreekt er een. Tussen 31 maart en 17 september 1944 was Christoffel Becude uit Doetinchem burgemeester van onze gemeente.

Een nieuwe burgemeester

Op 31 maart 1944 ondertekende Friedrich Wimmer, Generalkommissar für Verwaltung und Justiz in den besetzten Niederlanden de oorkonde waarmee hij Christoffel Becude tot burgemeester van Gendt benoemde. Dat wil zeggen: Wimmer heeft zijn handtekening niet zelf gezet; zijn naam staat in schools handschrift op het document van geschept papier, A3-formaat. In het Duits en Nederlands is Becudes benoeming vastgelegd. De akte zit in het dossier dat na de oorlog over Becude voor zijn berechting is aangelegd. Het bevindt zich in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging in het Nationaal Archief in Den Haag. Dat archief is, net als dat van het Militair Gezag in het Gelders Archief en sommige delen van het NIOD (Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies) in Amsterdam, beperkt openbaar.

Afbeelding1Van die archivalia mogen geen kopieën of foto’s gemaakt worden, alleen aantekeningen. Dat betekent dat dit artikel het moet doen zonder een paar interessante afbeeldingen, zoals de genoemde oorkonde, handgeschreven brieven en een (pas)foto van een Gendtse burgemeester in WA-uniform met – jawel - Hitlersnorretje. Wel beschikbaar is een vage foto die eind december 1940 is gemaakt tijdens een eenpansmaaltijd bij de kerstviering van de NSB in Doetinchem. Wie was deze Christoffel Becude, waar kwam hij vandaan, wat deed hij voor de kost, wat waren zijn ideeën en waarom sloot hij zich aan bij de NSB, welke rol heeft hij daarin gespeeld, hoe kwam hij in Gendt en wat is er bekend van deze tijd en hoe verging het hem na de bevrijding?

Bezetting

Op 18 mei 1940 tekende Hitler het decreet dat Nederland een burgerlijk bestuur zou krijgen. Ons land werd een Reichskommissariat o.l.v. Arthur Seyss-Inquart, die werd bijgestaan door vier commissarissen-generaal waaronder Hans Rauter (openbare orde en veiligheid) en de al genoemde Wimmer. Het Duitse bestuur was indirect, een Aufsichtsverwaltung. Onder leiding van de Duitsers bleven  de Nederlandse bestuurders hun werk doen. Zeker in de eerste jaren werkte de grote meerderheid van het ambtenarenapparaat loyaal mee. Alleen hoge Nederlandse functionarissen hadden direct contact met de bezetter. Dat de Gendtse bestuurders in de eerste oorlogsjaren weinig bemoeienissen hadden met de Duitsers, wil niet zeggen dat er in het dagelijks leven niets veranderde. Wim Otemann heeft er in zijn boek uit 2003, Tussen twee bruggen, een heel hoofdstuk aan gewijd. Zo beschrijft hij onder meer de invoering van de verduistering, de steeds verdergaande distributie, de verplichting een persoonsbewijs bij je hebben en de registratie van vee en landbouwproducten. Van directe Duitse bemoeienissen was weinig te merken. De enige Duitse militairen die de inwoners te zien kregen, waren de soldaten die het zoeklicht bij de Kommerdijk bedienden.

Levensloop

Christiaan Becude werd op 24 februari 1899 geboren in Rheden. Zijn vader, Johan Georg, was handelaar; zijn moeder, Johanna Starrenburg, huisvrouw. Na de lagere school in Rheden en de ulo in Velp werkte hij een aantal jaren als kantoorbediende. Via avondstudie haalde hij – volgens eigen zeggen met glans – het boekhouddiploma Mercurius bij het Bureau voor Handelswetenschappen en Boekhouden Van der Horst in Arnhem. Daarna vestigde hij zich als grossier in kippenvoer in Zutphen. Na tien jaar kreeg hij onenigheid met zijn compagnon en stapte hij uit het bedrijf. Mede-eigenaar B.J. Berendsen beschreef hem in 1943: ‘Treedt graag op de voorgrond, stelt eigenbelang boven groepsbelang. Voor kameraden die niet onderdanig zijn, is hij vals en lasterlijk’. In 1933 begon hij aan de Kruisberg 62a in Doetinchem een boekhoudkantoor. Op 4 juni 1924 was hij in Zutphen getrouwd met de vijf jaar oudere Wilhelmina Suzanna Maria de Marée, dochter van een leraar aardrijkskunde en geschiedenis. Het echtpaar bleef kinderloos. Tot 1931 was Becude lid van de ARP. In dat jaar verliet hij die partij, omdat hij het oneens was met de politiek van Hendrik Colijn. In november 1935 werd hij lid van de NSB; hij kreeg het stamboeknummer 63030. Becude koos bewust voor de NSB. Uit functies die hij binnen de beweging bekleedde en uit een aantal uitspraken – die verderop nog aan de orde komen – blijkt dat hij tot het eind van de oorlog in de fascistische ideeën bleef geloven. Hij was van mening dat de NSB meer eenheid in Nederland kon brengen.

Het politieke landschap was versplinterd; in 1935 waren er 53 politieke partijen. Hij sloot zich aan bij de kring Doetinchem, die in 1936 ongeveer negentig leden telde. Toen Mussert op 14 juni 1941 het nieuwe districtshuis op de hoek Wijnbergseweg/Dichterseweg opende, nam maar een handjevol niet-leden de moeite de Leider te aanschouwen. Na mei 1940 bleef hij Mussert trouw, omdat ‘het nationaal-socialisme de juiste stroming was en een Duitse overwinning in het belang van het Nederlandse volk was. (…). Het communisme is een gevaar voor West-Europa en Duitsland is het enige land dat (de Afbeelding2uitbreiding daarvan) kan verhinderen’. De afkeer van het communisme liet hij ook blijken in een brief van 27 mei 1943 waarin hij leden uitnodigde aanwezig te zijn op een bijeenkomst met Oostfrontstrijders die op verlof in Nederland waren. ‘Zij hebben daar geweldig gevochten en goed werk gedaan. Allen die hopen op een nederlaag van de As-mogendheden, moeten maar eens een kijkje gaan nemen in het Sovjet-paradijs. Een nieuw geordend Europa is alleen mogelijk bij een overwinning van Duitsland.’

Lidmaatschappen en functies

De in 1931 door Mussert opgerichte Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland had een vertakte organisatie. Het land was ingedeeld in gewesten en die weer in districten, kringen, groepen, buurten en blokken. Een blok had acht tot twaalf leden. Becude begon als blokleider en werkte zich omhoog tot groeps- en kringleider. Toen Mussert in februari 1939 een lezing hield in Doetinchem, was het Becude die de avond leidde. Hij colporteerde met Volk en Vaderland, het weekblad van de NSB, ging op huisbezoek en was collectant voor Winterhulp. Naast de geografische indeling ontstond binnen de NSB in de loop der jaren een aantal (beroeps)organisaties zoals het Nederlands Agrarisch Front, het Vervoersfront, het Opvoedfront en het Medisch Front. De in 1932 opgerichte semimilitaire Weer-Afdeling (WA) had o.a. als doel ‘het weervermogen van de Beweging te verhogen, tegenover personen en instellingen, welke haar aantas-ten’. Becude werd in 1941 met nummer 12867 lid van de WA en kreeg daar de functie van vendelvormingsleider en heerbanvertegenwoordiger. Een (heer)ban was een tamelijk grote groep binnen de WA, die bestond uit een staf en vier vendels.

Een vendel telde honderdtwintig WA-mannen. Als burgemeester van Gendt liep Becude volgens een verklaring van gemeenteambtenaar Willem Pijnappel altijd in WA-uniform (broek ƒ 14,50, laarzen ƒ 22,50, koppel ƒ 5,10, hemd ƒ 4,50, pet ƒ 4,70 en tuniek ƒ 35,50). Omdat hij een wapenvergunning had voor een Faustfeuerwaffe, droeg hij mogelijk daarbij zijn pistool. Dat is een raar idee; de burgemeester van Gendt in uniform en gewapend op straat. Als lid 1907 van de accountantsafdeling van het Rechtsfront werd hij geacht mee te werken aan de opbouw van de nieuwe staat. Bovendien was hij lid van het Nederlands Verbond voor Sibbekunde. In deze hoedanigheid hield hij zich bezig met genealogisch onderzoek, vooral bedoeld om de raszuiverheid van de onderzochte personen vast te stellen. Samenvattend: Becude was in de regio Doetinchem een druk baasje. Mussert beloonde hem hiervoor in 1943 met het ereteken Strijd en Offer.

Burgemeesterscursus

Het sprak bijna vanzelf dat de NSB zich na de Duitse inval in mei 1940 opwierp als dé partij van ons land. Het aantal leden nam na mei 1940 spectaculair toe. Liefst 23.000 ‘meikevers’, zoals de nieuwkomers spottend genoemd werden, lieten zich inschrijven, waardoor het aantal leden eind 1941 ongeveer 78.000 bedroeg. Een aantal daarvan was lid geworden om er via een baantje beter van te worden. Partijleden vonden dat zij een belangrijker rol in het bestuur moesten spelen, zowel op landelijk, provinciaal als gemeentelijk gebied. Dat gold zeker na december 1941 toen de NSB de enig toegestane partij in het land was. Wat het gemeentelijk bestuur betreft, al vanaf begin 1941 organiseerde de NSB voor belangstellende leden een ‘opleiding’ voor burgemeesters. De drie maanden durende schriftelijke cursus werd besloten met een mondeling examen. Wie daarvoor slaagde – en dat was een minderheid van de kandidaten – kreeg een week lang mondelinge lessen van prominente NSB’ers zoals Meinoud Rost van Tonningen en Robert van Genechten. Becude, die de cursus in 1942 volgde, haalde voor de onderdelen staatsrecht en improvisatie een onvoldoende, voor gemeenterecht een voldoende en scoorde goed bij gemeentefinanciën en zijn toespraak. Zijn examinatoren beoordeelden hem verschillend. De een sprak van ‘onvoldoende kennis, slap, eigen-wijs’, een ander roemde: ‘behoorlijk optreden, kent de stof, behoorlijk inzicht’.

Het examen leverde hem als uitslag een voorwaardelijk geslaagd op. Het is onduidelijk wat dat inhield; is hij na de mondelinge cursus en zijn voluntairschap in de gemeente Angerlo alsnog geslaagd? In ieder geval stuurde hij in oktober 1942 een open sollicitatie naar een burgemeesterspost aan de Beauftragte des Reichskommissars für die Provinz Gelderland. Het was een eenvoudig getikt briefje, A5-formaat met een tweetal verbeterde typefouten. Hij was beschikbaar wanneer er een vacature was. Het liefst in een plattelandsgemeente in Gelderland of Overijssel. Hij voelde zich verwant met de eenvoudige boerenstand uit de dorpen. En, omdat hij geslaagd was voor de cursus meende hij klaar te zijn voor die functie. Op 14 februari 1944 solliciteerde Becude bij de Beauftragte naar het ambt van burgemeester in Gendt. Daar was een vacature, want de benoeming van zittend burgemeester H. Crevels, die op 1 januari 1944 eindigde, was door de bezetter niet verlengd. Tot er een nieuwe burgemeester was, trad wethouder G.H. Meurs op als vervanger. In de meeste gevallen benoemden de Duitsers NSBers op de opengevallen plaatsen. Zo ook in Gendt. Zoals hierboven al staat: op 31 maart 1944 werd Christoffel Becude benoemd tot burgemeester van Gendt. (In juli 1944 telde Nederland 275 NSB-burgemeesters; een derde van het totale aantal.) De officiële installatie vond plaats op zaterdagmiddag 10 juni om 14.30 uur op het gemeentehuis aan de Markt. Becude en zijn vrouw gingen op 17 mei 1944 wonen in het huis van de ontslagen burgemeester Crevels, Markt A9.

Burgemeester van Gendt

Een paar dagen na zijn benoeming nam Becude een eerste kijkje in zijn nieuwe gemeente. Uit het weekblad De Betuwe weten we dat hij – hoewel nog niet officieel in functie – vanaf maandag 22 mei voor iedereen op het gemeentehuis te spreken was. Van zijn optreden in Gendt zijn we aangewezen op een paar berichtjes in De Betuwe en de verklaringen die politieman Theo van Dalen, de al genoemde Wim Pijnappel en Becude zelf aan leden van de Politieke Opsporingsdienst afgelegd hebben. Bovendien beschikken we over de herinneringen van de jeugdige onderduiker Nathan Cohen, die met zijn ouders en zusjes bij Van Dalen ondergedoken zat. In de krantenberichten gaat het om doodsimpele zaken als het storten van vuil en dat ongedorst stro minstens veertig meter van een houten en twintig meter van een stenen gebouw opgeslagen moest worden. Duidelijker verband met de oorlog was de waarschuwing dat het vernielen van werken van de Wehrmacht, zoals het dichtgooien van loopgraven, zwaar gestraft zou worden. Theo van Dalen emigreerde met zijn vrouw en drie kinderen naar Oberon in Australië, waar hij een boerenbedrijf begon. In 1974 kregen Theo en Bets van Dalen van de Israëlische organisatie Yad Vashem de onderscheiding Rechtvaardige onder de Volkeren voor hun hulp aan het Joodse gezin Cohen. Uit de verklaringen die Van Dalen en Pijnappel na de oorlog aflegden, blijkt dat de inwoners van Gendt in het dagelijks leven weinig last van Becude hebben gehad.

Van Dalen, die als opperwachtmeester der marechaussee politiediensten in Gendt verrichtte, had in 1946 de marechaussee verlaten en werkte als bedrijfsleider in Groningen. ‘Ik moet eerlijk zeggen dat ik van Becude persoonlijk weinig last heb gehad mede door het feit, dat ik in het belang van de Gemeente Gendt, getracht heb op goeden voet met Becude te blijven. Dat was ook persoonlijk voor mij van grooten betekenis, gezien het feit dat ik steeds Joodschen onderduikers in mijn huis heb geherbergd. Becudes uitspraken komen hiermee overeen. Hij zei zeer goed bevriend geweest te zijn met de politieman en dat die ‘wel weten kon dat hij van mij geen last zou ondervinden. Zo niet, dan had ik dat wel eerder kunnen doen, want het was mij bijvoorbeeld bekend dat van Dalen in zijn huis een Joodsche familie herbergde’. Becude verklaarde dat in een verhoor op 24 januari 1946. Het is dus best mogelijk dat hij pas na de oorlog gehoord heeft dat Van Dalen in zijn boerderijtje aan de Dijkstraat onderduikers verborg. Becude kan dat bij zijn verhoor gezegd hebben om minder schuldig te zijn. Maar kan uit de verklaring van Van Dalen niet opgemaakt worden, dat de burgemeester inderdaad meer wist? ‘Ik heb’ aldus Van Dalen, ‘nimmer den indruk gehad dat hij jacht maakte op onderduikers en wel om reden hij, indien er een onderduiker moest worden opgehaald, mij daarvan alle bijzonderheden vertelde en een tijdafspraak maakte, waarop wij den onderduiker zouden arresteren. Ik waarschuwde dien persoon dan. Een arrestatie heeft dan ook nimmer plaats gehad.’ En uit het verhaal van Nathan Cohen, die bij Van Dalen verborgen zat, kan misschien geconcludeerd worden, dat het feit dat er bij Van Dalen acht onderduikers zaten, in het dorp Gendt niet voor iedereen een geheim geweest kan zijn. Het is niet zo onlogisch te denken dat Becude inderdaad op de hoogte was van het bestaan van de onderduikers.
Afbeelding3Cohen schreef ook dat Van Dalen ’s nachts allerlei officiële papieren uit het gemeentehuis haalde die hij gebruikte ten gunste van de onderduikers. Je hoefde als burgemeester toch waarlijk geen genie te zijn om te zien dat er iets aan de hand was. Het verhaal van Willem Pijnappel, 28 jaar oud in 1946, komt overeen met het bovenstaande. ‘Als ambtenaar heb ik weinig last van hem gehad, hoewel hij veel op de secretarie aanwezig was. Er ging weinig van hem uit, niet als NSB’er, niet als burgemeester. De bevolking van Gendt heeft weinig last van hem gehad. Hij maakte door zijn woord propaganda voor de NSB, maar heeft nooit iemand geprest lid te worden.’ Pijnappel vertelde dat hij een paar keer per week naar het postkantoor moest om post te halen, waaronder de NSB-bladen Volk en Vaderland, Het Nationale Dagblad en De Zwarte Soldaat, het weekblad van de WA.

September 1944

Dat Becude een relatief milde houding naar de Gendtse bevolking had, wil niet zeggen dat hij geen gevolg gaf aan de bevelen van de bezetter. Op 15 september 1944 kreeg hij opdracht om voor 150 – Becude zelf spreekt van ‘een aantal’ – mannen te zorgen die loopgraven moesten graven aan het Pannerdensch Kanaal. Van Dalen kreeg opdracht om de lastgeving bij de mensen te bezorgen. Die gebruikte tegenover de burgemeester de smoes dat er een vliegtuig neergestort was bij Angeren en dat hij eerst de bemanning moest opsporen. ‘Ik maakte van den tijd, die ik daarvoor had vrijgemaakt, gebruik om mijn onderduikers, mijn gezin en mijn persoonlijke bezittingen, weg te werken, waarop ik zelf ook verdwenen ben.’ Twee dagen later begon operatie Market Garden. Becude vluchtte dezelfde dag naar de Achterhoek. Daar werkte hij ruim een maand voor de Arbeidsinzet in Doetinchem. Na een mislukte poging daar burgemeester te worden – burgemeester Duval Slothouwer was ondergedoken – kreeg hij op 25 oktober die functie in Dinxperlo. Na de bevrijding van die gemeente op 4 april 1945, werd Becude daar een dag later gedetineerd. Dat was het begin van een serie plaatsen waar hij de komende twee jaar zou verblijven: Dinxperlo, Den Haag, weer terug naar Dinxperlo, Doetinchem, Nijmegen en fort Vuren.

In april 1945 schorste het Militair Gezag hem als burgemeester; officieel ontslag wegens ontrouw kreeg hij op 9 november, zowel als burgemeester van Gendt, Bemmel – op 8 september 1944 was hij daar waarnemer geworden na het onderduiken van Wim van Elk – als van Dinxperlo. Uit een proces-verbaal over zijn tijd als burgemeester in de Achterhoekse plaats: ‘Navraag door verbalisant bij inwoners van Dinxperlo leverde geen negatieve reacties op (behalve dan dat hij NSB’er was). Wel had hij actiever tegen de Duitse bevelen (als het oproepen van mannen voor de arbeidsinzet en het vorderen van fietsen) kunnen zijn’.

Bijzondere Rechtspleging

Op 10 mei 1941, precies een jaar na de Duitse inval, sprak koningin Wilhelmina in Londen over ‘een handvol verraders, waarvoor in bevrijd Nederland geen plaats zal zijn’. Vier jaar later bleken dat er beduidend meer dan een handvol te zijn. Volgens historicus De Jong zijn er in 1944 en 1945 ongeveer 150.000 ‘foute’ Nederlanders gearresteerd. In oktober 1945 zaten er daarvan nog 96.000 in detentie: 72.000 mannen en 24.000 vrouwen. Tot de laatste groep hoorde ook Wilhelmina de Marée, Becudes vrouw. Zij was in 1937 lid van de NSB geworden. In de eerste maanden van 1946 werd zij vrijgelaten. Ze vond onderdak bij een kennis, die in Zelhem een boerderij had. Voor het berechten van ‘foute’ landgenoten was speciale wetgeving nodig. Personen die ernstige oorlogsmisdrijven gepleegd hadden, moesten de doodstraf kunnen krijgen. Maar die bestond sinds 1871 niet meer voor burgers. De nieuwe wetgeving was nodig, omdat wettelijk bepaald was (en is) dat niemand veroordeeld kan worden zonder voorafgaande wettelijke strafbepaling. Vertaald naar een simpel voorbeeld in onze tijd: wanneer op 1 januari de maximum snelheid op een traject teruggebracht wordt naar 100 km, kun je niet beboet worden wanneer je daar half december 120 km hebt gereden.
Afbeelding4De regering in Londen richtte twee rechtbanken op. Bijzondere Gerechtshoven zouden zich buigen over de ‘zware’ gevallen. De rechters van een gerechtshof, drie juristen en twee militairen, konden de doodstraf opleggen. De vijf gerechtshoven hebben dat 145 keer gedaan. In 42 gevallen is die straf uitgevoerd, o.a. bij Mussert, Rauter en NSB-propagandist Max Blokzijl. Voor de minder ernstige gevallen, zoals mensen die zich bij foute organisaties hadden aangesloten, kwamen er Tribunalen. Daar werd rechtgesproken door drie personen, een juridisch geschoold voorzitter en twee burgers. Een Tribunaal kon drie maatregelen nemen: internering van maximaal tien jaar, ontzetting uit bepaalde rechten en verbeurdverklaring van (een deel van) het vermogen. De arrestatie van de verdachten gebeurde onder verantwoordelijkheid van het Militair Gezag. Omdat deze functionarissen hun handen meer dan vol hadden aan andere zaken, was de praktijk dat de gevangenneming gebeurde door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, illegale werkers en – later – door leden van de gezuiverde politie.

Proces

Christoffel Becude verscheen op 25 april 1947, dus ruim twee jaar na zijn arrestatie, voor de Achtste Kamer van het Tribunaal in Arnhem. In het Bewarings- en Verblijfskamp Vuren was hij als machinaal houtbewerker tewerkgesteld op een steenfabriek. Hij werd tijdens het proces bijgestaan door mr. J.H. Arnold uit Arnhem. Van diens verdediging is een ultrakorte samenvatting bewaard gebleven, waarschijnlijk genoteerd door een medewerker van het Tribunaal: ‘De man steenfabrieksarbeider, de vrouw boerin; ziedaar het resultaat van enigen jaren politieke verdwaasdheid, gevolg van kritische propaganda’. Tijdens het proces legde Becude een verklaring af waarin hij het merendeel van de tenlastelegging erkende. Hij ontkende alleen kringleider en kringbeheerder te zijn geweest.

Over zijn vertrek uit Gendt zei hij: ‘Dat ik in Gendt wegging toen de Geallieerden kwamen, was volgens een tevoren ontvangen opdracht’. Het Tribunaal, dat bestond uit voorzitter mr. R. Lion en de leden W.H. Brunsveld en H.J. Molthoff, accepteerde de twee ontkenningen van Becude, maar vond dat hij schuldig was aan de andere punten van de aanklacht en veroordeelde hem tot de duur van zijn internering. Met andere woorden, Becude werd meteen vrijgelaten. Dat was niet alles. Het Tribunaal ontnam hem het actief en passief kiesrecht. Dat duurde tot 1955; toen kreeg hij op eigen verzoek de beide rechten terug. Er was nog een derde punt. Bij de internering hoorde ook het verlies van het beheer over het vermogen van de verdachte. Dat werd ondergebracht bij het Nederlands Beheersinstituut, in Becudes geval bij de afdeling Winterswijk. Dat regelde de mogelijke inkomsten, maar vooral uitgaven van een geïnterneerde. Zo vroeg Willem Pijnappel aan het Instituut wat hij moest doen met een nota van de PGEM. Die had een rekening van ƒ 22,13 naar de gemeente Gendt gestuurd voor het gebruik van 253 kWh stroom in de burgemeesterswoning tussen juli 1944 en juni 1945. En mevrouw Becude beklaagde zich in Winterswijk dat zij nog geen enkel meubelstuk uit hun Gendtse woning teruggekregen had. Het Tribunaal besliste dat Becude het beheer over zijn bezittingen op 15 juni 1947 moest terugkrijgen. Dat stelde niet zo veel voor: ƒ 368,46. Maar daar moest nog ƒ 500,00 inkomstenbelasting over 1943 af.

Conclusie

Het Tribunaal oordeelde dat Becude met twee jaar internering – afgezien van het verlies van zijn politieke rechten – voldoende straf had gehad. Daags na zijn proces vertrok hij naar Zelhem, waar zijn vrouw verbleef. In februari van het jaar daarop vertrokken zij naar Aalten waar ze tot hun dood woonden. Becude pakte daar zijn oude beroep, boekhouder en administrateur, weer op. Uit de stukken blijkt dat Becude een overtuigd NSB’er was. Van 1935 tot het eind van de oorlog was hij lid, bekleedde verschillende functies en zette zich in voor de Beweging, was geabonneerd op NSB- periodieken, colporteerde, bracht huisbezoeken en probeerde mensen te winnen voor Musserts ideeën. Zijn uitspraken over de rol van Duitsland in het ‘nieuwe’ Europa dienden de nationaal-socialistische zaak. Hij wilde daarvoor zo graag burgemeester worden dat hij daarvoor de cursus volgde. Toen hij voor die taak in Gendt de kans kreeg, accepteerde hij een inkomstenvermindering van ruim een kwart.

Als accountant verdiende hij – naar eigen zeggen – ruim ƒ 4.000,00 per jaar, terwijl hij als burgemeester van een plattelandsgemeente met ƒ 2.900,00 genoegen nam. Als burgemeester bleek hij geen scherpslijper, of was hij een zwakke persoonlijkheid? Hij voerde bevelen van de bezetter uit, maar getuigen uit zowel Gendt als Dinxperlo verklaarden verder weinig last van hem gehad te hebben. De onbekende burgemeester, heeft, zij het een onduidelijk, gezicht gekregen.

Archieven

Gelders Archief, Arnhem: Militair Gezag, toegang 1037, inv. nrs. 398 – 437, 446. Nationaal Archief, Den Haag : - Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), toegang 2.09.09, inv. nr. 102777; - CABR, inv. nr. 27619; - Zuiveringsarchieven ministerie van Binnen- landse Zaken, toegang 2.04.67, inv. nr. 2148; - Nederlandse Beheersinstituut, toegang 2.09.16, inv. nr. 33199. Instituut voor oorlogs-, holocaust- en genocidestudies (NIOD), Amsterdam: NSB-archief, toegang 123, inv. nrs. 1128 en 1129, 1402, 1465 en 1466.

Literatuur

Blom, J.C., ‘Nederland onder Duitse bezetting 10 mei 1940 – 15 mei 1945’, in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden, deel 15, Bussum 1980, 55–94. Cohen, N, The Book of Nathan, Arad (Israël), 1995. Jong, L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog (diverse delen), ’s-Gravenhage, 1969 – 1991. Lammers, A.J., Dinxperlo in oorlogstijd, Aalten, 1995. Otemann, W.H.J., Tussen twee bruggen. Gendt in de Tweede Wereldoorlog, z.p. (Barneveld), 2005 Volker, Inge, Doetinchem in oorlogstijd. Vijf jaar Duitse bezetting in Doetinchem en Gaanderen, Deutekom/Gander, 1966. Diverse edities van dag- en weekbladen: De Betuwe, De Gelderlander, De Graafschap-bode, Volk en Vaderland.

Geert Visser

 

 

 

Spelenderwijs

Vanaf 1950 woonden we in de Burchtgraafstraat en hadden goed contact met de buren. Het was gewoon een gezellige straat met veel jongens en meisjes van dezelfde leeftijd.
En wat is de grootste hobby van jongens? Natuurlijk voetballen en dat deden we dan ook heel veel. In het begin op straat, maar Numan, de politieman, woonde op nummer 1 (naast ons) en waarschuwde dat dit niet de bedoeling was omdat er ruiten konden sneuvelen. Die andere agent, Knipping, nam ons geregeld de bal af en we konden die dan bij hem thuis ophalen als we beloofden niet meer op straat te voetballen. We gingen in 't vervolg onder leiding van Joop Goosen dan ook naar wat wij ‘achter den diek’ noemden en we betaalden elke week een stuiver om uiteindelijk een leren bal te kunnen kopen waar we veel gebruik van hebben gemaakt. We voetbalden geregeld tegen andere straten, wat nog al eens behoorlijk uit de hand liep, vooral tegen de Essenpasstraat waar de gebroeders Joosten nog wel eens vergaten om de bal te schoppen.

Later toen de meiden zich ook meer op straat begonnen te begeven, gingen we rolschaatsen. Dat was een bijzondere bezigheid en niet iedereen kon met die dingen overweg, maar op het plein voor Providentia waar tegels lagen kon dat prachtig (het voorgebouw stond er toen nog niet). Daar hebben we menige rondjes gemaakt samen met de meiden, wat heel gezellig en spannend was. Vaak gingen we naar het schoolplein van de vglo-school. Het was daar rustiger (er stond een hek omheen) en we konden schuilen onder het fietsen hok wat daar aan de achterzijde was. Vaak klommen we dan naar boven alwaar de stamhut van de verkenners was, die bijna nooit op slot zat en waar we samen met de meiden gezellige momenten hebben beleefd. De waaghalzen onder ons klommen nog wel eens op het dak en zo was er een prachtig uitzicht over de buurt. Er was toen een periode dat we zelf stelten maakten en met die latten de weg op gingen. Het was toen nog lang zo druk niet; nu zou dat niet meer kunnen.

Afbeelding11In de Burchtgraafstraat hadden de huizen op de hoeken een soort inkeping en zo klommen we wel eens het dak op. Dat was een gevaarlijke bezigheid, maar we wilden gewoon stoer doen en de meisjes uitdagen, want die kwamen meestal niet ver.
Op een gegeven moment kreeg Providentia een flinke opknapbeurt en moest de vloer (eiken visgraatpatroon) eruit. De vloerdelen waren door het vele gebruik helemaal hol geworden, maar de blokjes zaten vast in de teer en het was een heidens karwei, waarbij wij stoere jongens wel wilden helpen. Als dank mochten we dan een kruiwagen vol van die blokken mee naar huis nemen voor de kachel. We hadden in de keuken toen een Thebo 5 kachel (er konden kolen en hout in verbrand worden), maar door de teer laag kwam er zo ’n stank vrij dat we toch maar weer overgingen op de toen bekende nootjes
(kolen).

Een bijzondere speelplaats was de drogerij van Dietje Evers (tussen de Burchtgraafstraat en de Nieuwstraat) waar we ons vaak vermaakt hebben. Het gebeurde geregeld dat de brandweer er kwam oefenen en wij waren dan slachtoffers van een of andere gebeurtenis .

Maar kattenkwaad uithalen was natuurlijk ook een gewillige bezigheid. Bij Voermans trokken we geregeld aan de bel en doken dan ergens achter de heg en zo gebeurde het dat Adje door de hele buurt liep te schelden: ‘waar zijn die rot jongens’, en wij maar lachen.

De Gendtse kermis stond in die tijd nog in de Dorpstraat vanaf de vglo-school tot de klok. En de danstent stond naast Providentia en als die afgebroken werd, waren we er als de kippen bij om dubbeltjes te zoeken (in die tijd kostte een dans een dubbeltje en dat viel nog wel een tussen de vloerplanken).
En als Jeje van Buit (Jantje Burgers) met de fiets de Dorpstraat in ging, nam hij altijd de binnenbocht, totdat hij een aanmaning kreeg van de politie, die zei dat hij om de klok moest fietsen. ‘Maar, zei hij dan, ‘dat ding zit toch veel te hoog’.

Peter Langen 

 

 

 

Genees- en Heelkunde in Gendt

Dit is het eerste van twee artikelen over genees- en heelkunde in Gendt. In dit deel staat een korte geschiedenis van de geneeskunde, gevolgd door een overzicht van artsen in Gendt tot het begin van de vorige eeuw. In de volgende Ganita mare gaat het over de Gendtse huisartsen van de laatste honderd jaar, te beginnen met dokter Coenders.

Vanaf hun prilste bestaan hebben mensen getobt met hun gezondheid. Alle oude cultuurvolken zoals de Chinezen, Mesopotamiërs, Egyptenaren, Grieken en Romeinen hielden zich al bezig met geneeskunde. De oorzaak van ziekten werd in het begin toegeschreven aan de toorn van goden, godinnen of natuurkrachten en de mensen zochten daarom hun heil bij priesters en tovenaars om de ziekte te genezen. Lange tijd daarna bracht men ziekten nog in verband met parasieten, koud/nat weer of extreme hitte of het temperament van mensen. Dat laatste klinkt raar, maar daarin volgde men nog tot in het begin van de twintigste eeuw de leer van de Griekse arts Hippocrates (460-377 v. Chr.).
Hij verdeelde de mensen in vier temperamenten of persoonlijkheidstypen: het sanguïnische, flegmatische, cholerische en melancholische. Ziekte was volgens hem te wijten aan een onbalans in de lichaamssappen. De sanguinicus gold als een optimist en bij dit type overheerste het bloed. Als dit type ziek werd moest dus het teveel aan bloed afgetapt worden d.m.v. aderlaten. Bij de flegmaticus, een kalm persoon, overheerste het slijm. De cholericus, een opgewonden mens, had een teveel aan gele gal en de melancholicus, de pessimist, een overmaat aan zwarte gal. Hij was de eerste die de reden van een ziekte niet toeschreef aan goden, maar zocht naar natuurlijke oorzaken. Hij observeerde patiënten, noteerde hun klachten, beschreef de symptomen, volgde het verloop van de ziekte en evalueerde het effect van de behandeling. Tot op de dag van vandaag is in deze behandelingswijze geen fundamentele verandering opgetreden.

In het algemeen was in de vroege Middeleeuwen de geneeskunde in handen van kloosters. De kloosterlingen maakten geneesmiddelen en verpleegden zieken. Een mooi voorbeeld daarvan vinden we in de (digitale) bibliotheek van de abdij Lorsch, het klooster waarmee Gendt meer dan vier eeuwen (793-1228) zo’n bijzondere band heeft gehad. Het Arzneibuch uit 795 is het eerste medische handboek in Europa. Het bestaat uit 73 dubbel beschreven foliovellen van perkament. Wie het in wil zien kan terecht bij het Lorscher Arzneibuch, nr. 27 op de site www.bibliotheca-laureshamensis-digital
Afbeelding5
Vanaf de twaafde eeuw ontstonden er verschillende beroepsgroepen die zich bezig hielden met medische handelingen. Bovenaan de ladder stonden de artsen (doctores medicinae), die een universitaire opleiding gevolgd hadden en zich vooral bezig hielden met inwendige ziekten, gevolgd door de chirurgen, apothekers, barbiers/chirurgijns en de vroed- en heelmeesters c.q. vroedvrouwen.
Een vroedmeester was een man die hulp bood bij bevallingen, net zoals een vroedvrouw. Het beroep van vroedvrouw is een van de oudste beroepen ter wereld. De vroedvrouw was prima in staat om een natuurlijke bevalling te begeleiden, maar het was een andere zaak als er complicaties waren. De chirurgijn hield zich bezig met alles waar bloed aan te pas kwam, zoals het behandelen van wonden, verrichten van operaties, tandentrekken, het amputeren van ledematen en het al eerder genoemde aderlaten.

Het vak van chirurgijn vloeide voort uit dat van barbier en werd er vaak mee gecombineerd. Dat was omdat barbiers met knippen en scheren al de nodige ervaring met messen hadden. Een van de ergste plagen in vroegere eeuwen was de pest. In bepaalde tijden stierf een derde deel van de bevolking eraan. De pest werd overgedragen door knaagdieren, maar daar kwam men pas veel later achter en toen kon men er ook effectievere maatregelen tegen nemen. Verdere maatregelen ter verbetering van de volksgezondheid waren betere hygiëne in woningen en het verplicht stellen van vaccinaties zoals tegen de pokken. In ons land regelde de wet van 1 juni 1865 bij de uitoefening van de geneeskunst de bevoegdheden van de arts, de vroedvrouw en de apotheker. De Wet op de Uitoefening der Geneeskunst werd ingevoerd door het kabinet-Thorbecke II (Staats-blad 1865; 60). De wet bepaalde welke medische handelingen tot de reguliere geneeskunde werden gerekend. Er werd een artsexamen geïntroduceerd in de gezondheidszorg en het uitoefenen van geneeskunst door onbevoegden werd strafbaar gesteld. De Over-Betuwe kende lange tijd perioden van armoede waardoor de bewoners voor hulp vaak waren aangewezen op de kerk, charitatieve instellingen of (in mindere mate) de overheid en dan met name het gemeentebestuur. In Gendt waren de Vincentiusvereniging en het Armbestuur van zowel de katholieke als protestantse kerk lange tijd verantwoordelijk voor allerlei hulp. Pas laat in de negentiende eeuw begon de lokale overheid armen en hulpbehoevenden tegemoet te komen als ze de kosten van geneeskundige behandeling niet zelf konden betalen. De plaatselijke overheid betaalde daarom in veel gevallen een vast jaarlijks bedrag aan een geneesheer onder de voorwaarde dat de arme inwoners gratis werden behandeld.

Pokken

Rond 1780 heersten de pokken in het Gelderse rivierengebied. Begin 1781 sloeg de ziekte toe in verschillende plaatsen in de omtrek van Nijmegen, zoals Afbeelding6Gendt, Lent, Hees, Neerbosch, Wijchen en Batenburg. Ook ziekten als cholera en difterie kwamen in die tijd voor in Gendt. Edward Jenner (1749-1823) was een Engelse arts, die een pokkenvaccin ontwikkelde op basis van koepokken. De Rotterdamse medicus Levie Salomon Davids introduceerde het vaccin van Jenner in Nederland. Aanvankelijk was vaccinatie alleen voor arme mensen en militairen verplicht. Om de rest van de bevolking te stimuleren werd een premie ingesteld. Koning Willem I der Nederlanden (1813-1840) stelde daarnaast in 1818 een gouden medaille beschikbaar voor artsen die bewijsbaar meer dan 50 personen met een koepokkenvaccinatie hadden ingeënt. De medaille had een waarde van 50 gulden. Op de medaille stond ‘Volitat iam fama per orbem’ wat betekende ‘Haar roem verspreidt zich spoedig over de aarde’. De inenting was in religieuze kringen omstreden.

Florence Nightingale

Florence Nightingale werd geboren in Florence op 12 mei 1820 als dochter uit een welgestelde Engelse familie. Als tiener hoorde ze de ‘stem van God’ en wilde ze het lot van de armen, zieken en gewonden verbeteren. Dat was in een tijd dat verpleging als vak nog uitgevonden moest worden. Eerst werkte ze enige tijd in een Duits ziekenhuis in de verpleging en daarna werd ze hoofd van een verpleegafdeling in Londen. In de Krimoorlog (1853-1856) deed ze ervaring op met de verpleging van gewonde militairen en zag daar hoe belangrijk hygiëne en goede ventilatie waren. Na haar terugkeer in Engeland legde zij zich toe op een verpleegstersopleiding in een klein ziekenhuis in Londen. Deze veelzijdige vrouw is bekend geworden als de grondlegger van de moderne verpleegkunde. Ze heeft zich haar leven lang sterk gemaakt voor het belang van hygiëne, zodat besmettelijke ziekten konden worden voorkomen en bestreden. Op 13 augustus 1910 is ze overleden in Londen.

Geneeskundigen in Gendt tot 1905

Lange tijd waren mensen in Gendt aangewezen op artsen uit een andere gemeente of dorp. Ze kwamen in enkele gevallen uit Arnhem, Nijmegen of Huissen maar meestal uit Doornenburg of Bemmel. Gendtenaren hadden toentertijd van doen met medicinae doctors, heelmeesters, heel-en vroedmeesters, geneesheren, doctor in de genees-en verloskunde, doctor in de geneeskunde en artsen. Heersende epidemieën ten tijde van de Gendtse artsen waren onder andere: pest, pokken, cholera, tyfus, difteritis, en tuberculose.

1843-1845 Marinus Adrianus van Leeuwen

Tot 1843 waren de Gentenaren voor medische hulp aangewezen op de omliggende gemeenten. Waarmee niet gezegd wordt dat zich daar permanent een geneesheer had gevestigd. Wat de motieven voor sommigen waren om zich hier slechts een zeer korte tijd op te houden, is niet bekend. Waarschijnlijk omdat er veel armoede was en een te kleine gemeenschap om zich in het vak te kunnen ontwikkelen. In 1843 was in Gendt Marinus Adrianus van Leeuwen genees- en heelmeester1. Hij is dan 23 jaar en getrouwd met Anna Margaretha Heysink. Op 19 januari 1845 werd hun eerste kind geboren Wilhemina Grada Petra. Kort hierna verliet de familie Van Leeuwen Gendt. We komen Marinus van Leeuwen later nog tegen; hij is dan werkzaam in de veenkoloniën te Veenhuizen als heel- en vroedmeester van 25 juni 1855 tot 1 maart 1857. Begin 1857 werd Marinus ziek en is door doctor J. van der Scheer Azn. uit Assen behandeld. Het is niet bekend of hij toen genezen of overleden is. 1 Hij tekent als getuige in het testament van 7 augustus 1843 van Maria Clara van Delwich douairière van Jacob Boudewijn van Bemmel van Doornenburg, dus was hij al gauw een bevriend notabele).

1846 Frans August Herman Muller

Na Marinus van Leeuwen kwam in 1846 Frans August Herman Muller naar Gendt. Hij is op 11 februari 1846 getrouwd met Maria Adriana Teljer. Frans was geneesheer en had eerder een praktijk gehad in Buiksloot. Ook bij dit paar werd een meisje geboren in Gendt, Petronella Lucia Dorothea Emilia en wel enige maanden na hun huwelijk op 6 juli 1846. Het gezin vertrok eind 1846 uit Gendt en kreeg nog vier kinderen elders. In december 1857 en in januari 1858 overleden de ouders, waarschijnlijk aan een besmettelijke ziekte. De kinderen werden afwisselend bij de grootouders en bij andere familie in Jutphaas en Doesburg ondergebracht.

1847-1858 Jean Baptist Op de Laeij

In 1847 kwam Jean Baptist Op de Laeij als heelmeester in Gendt. Hij is geboren op 27 augustus 1784 in het Belgische plaatsje Grimbergen. Hij had eerst een relatie met Anna Maria van der Mast. Anna overleed in 1823 te Zwolle. In 1824 trouwde Jean in Groningen met Hendrika Constantia Croné. Jean is al 63 jaar wanneer hij van Vleuten waar hij geneesheer was, naar Gendt komt. Wanneer het paar vier maanden in Gendt is overlijdt hun jongste dochtertje Maria Theresia van drie jaar oud. Na elf jaar heelmeester te zijn geweest in Gendt vertrok het paar naar St. Michielsgestel. Jean Baptist is overleden op 11 april 1873 in Abcoude–Baambrugge. Naast Jean Baptist werkte er in Gendt de vroedvrouw Berendina Braakman die geboren was in Herwen en Aerdt. Berendina was getrouwd met Gijsbert van Huut afkomstig uit Herwen. Na het overlijden van Berendina in 1872 neemt Johanna Rensen haar verlossingswerk over. Johanna is getrouwd met Jan Hendrik Rutjes. Het paar vertrekt in 1874 naar Bemmel. Waarschijnlijk omdat er dan een doctor in de genees- en verloskunde in Gendt gekomen is, Jacob Joachim Gefken.

Bemmel heeft in die tijd een medicinae doctor, C. A. Goedbloed, evenals Doornenburg waar Hendrik Sebald van der Monde geneesheer is. Wanneer Van der Monde overlijdt op 9 april 1857 wordt deze opgevolgd door heelmeester Damian Johann Wilhelm Daamen, die behalve Doornenburg en Angeren, na het vertrek van Op de Laeij ook Gendt bedient van 1858 tot 1865. In 1866 krijgt Daamen eervol ontslag. Op 7 januari 1870 overlijdt Damian op 42-jarige leeftijd in Doornenburg. De gemeente Gendt benoemt in 1865 een heel- en vroedmeester, die in de gemeente Gendt moet wonen.

1865-1870 Pieter Nuijens is heel- en vroedmeester

Op 16 december 1865 komt Pieter naar Gendt. Pieter is de zoon van Petrus Nuijens en Catharina Nieuwland. Zijn vader Petrus Nuijens was geneesheer. Pieter is geboren te Blokker op 27 november 1838; hij trouwt te Zaandam op 27 november 1861. In het jaar 1865 is de Wet op de Geneeskunde ingevoerd. Hij komt met zijn vrouw Maria Elisabeth Nuijens-Klarenbeek van Uitgeest, waar ook hun eerste kind (meisje) geboren is. In Gendt worden nog twee kinderen geboren: een meisje en een jongetje. Het jongetje heet ook weer Pieter. In 1870 vertrekt het gezin naar Harmelen bij Woerden (Utrecht). Pieter is overleden te Harmelen op 29 november 1900.

1870-1879 Arnoldus Claudius Rudolphus Ida de Bruyn, geneesheer

Arnoldus is geboren op 11 februari 1841 te Overlangel. Hij was een zoon van wijnkoper Gerard Aloysius de Bruijn en van Maria Cornelia Antonia Everdina Walter. Hij bezocht het gymnasium te Boxmeer, studeerde te Leiden en promoveerde aldaar tot med. doctor in 1870 op een proefschrift over De differentiëele diagnose van maagkanker en ronde maagzweer. Hij werd op 24 juni 1870 benoemd tot gemeentearts te Gendt. Hij kwam met zijn vrouw Sophia Geertrudis Johanna Maria Ingenhousz vanuit Leiden. Ze zijn op 13 september 1870 in Breda getrouwd. Sophia was de dochter van dr. Arnoldus Florentius Josephus Ingenhousz, inspecteur van het geneeskundig toezicht voor Noord-Brabant en Limburg, en van Maria Anna Barbara Brongeest. Het paar bleef nog geen half jaar in Gendt (van 9-9-1870 tot 3-2-1871). Hij vestigde zich als geneesheer te Stratum (bij Eindhoven). Waarschijnlijk is zijn vrouw Sofia ziek geworden, want in 1872 is ze te Stratum overleden. Arnoldus hertrouwde in 1874 met Elisabeth van Moll uit Eindhoven, dochter van Antonius van Moll en Josephina Johanna Schilleman. Het paar kreeg zes kinderen: vijf dochters en een zoon. Vier dochters zijn op zeer jonge leeftijd gestorven. Op 16 februari 1909 is Arnoldus in Helmond overleden, waar hij toen geneesheer was.

1871-1877 Jacob Joachim Gefken, doctor in de genees-en verloskunde

Jacob Joachim Gefken was de zoon van Jan Joachim Gefken en Antoinetta Charlotte Niemann. Hij is geboren op 14 februari 1814 te Haarlem. In 1841 trouwde Jacob in Zutphen met Elisabeth Maria Voss, die geboren is in Zutphen op 23 maart 1822. Het paar kreeg negen kinderen. Jacob had gestudeerd te Leiden waar hij op 18 juni 1845 bevoegd werd verklaard tot uitoefening van de geneeskunst als medicinae doctor. Twee kinderen zijn in Zutphen geboren, één in Beek en één in Lobith en vijf in Millingen, waarvan een kind in Millingen is overleden. Op 1 februari 1871 vroeg Jacob eervol ontslag aan de gemeenteraad van Millingen. Op 4 juni 1871 kwam het gezin Gefken van Millingen, waar Jacob vanaf 1852 gemeentearts is geweest, naar Gendt. Jacob vertrok 26 september 1877 met zijn gezin vanuit Gendt naar ’s-Heerenberg. Hij is daar overleden op 1 maart 1881; Elisabeth overleed zeventien jaar later op 30 juli 1898.

1873-1886 Jacob Wolter Adriaan Wanrooij, genees-, heel- en vroedmeester

Afbeelding7Tegelijkertijd was met Jacob Gefken ook Jacob Wolter Adriaan Wanrooij genees-, heel- en verloskundige in Gendt. Hij arriveerde in 1873. Jacob is geboren in Kwadijk (Noord-Holland) op 6 juni 1844 en kwam van Ooltgensplaat (Zuid-Holland) naar Gendt. Zijn vader was hervormd predikant in Kwadijk en Zijpe. Jacob woonde in Gendt op hetzelfde adres als doctor Gefken. Het is niet bekend wanneer hij vertrokken is uit Gendt, maar waarschijnlijk was dat in 1886.

1886-1889 Leopold Christiaan Ledel, geneesheer

Door de Provinciale Commissie van geneeskundig onderzoek en toevoorzigt in Friesland is in hare zitting van dinsdag jl. bevorderd: tot heelmeester ten platten lande, de heer Leopold Christiaan Ledel, van Warns. Leopold is geboren te Warns (Friesland) op 3 maart 1835. In 1859 was Leopold bevorderd tot heelmeester ten plattelande. Zijn vader Andreas Ledel was ook geneesheer. Hij trouwde op 1 juni 1862 met Petronella Jacoba van den Oever. Op 22 februari 1881 overleed Petronella te Balk 45 jaren oud en bleef Leopold met drie kinderen achter. Op 2 juni 1882 hertrouwde Leopold in de gemeente Gaasterland met Christina Antoinette Maria Lisabet Strengnaerts. Al na enkele jaren nl. op 20 november 1885 overleed Christina op 52- jarige leeftijd. Op 22 november 1886 trouwde Leopold voor de derde keer in de gemeente Vught met Hendrika van der Steen. December 1886 werd hij benoemd tot geneesheer te Gendt. In januari 1887 kwam Leopold met zijn vrouw Hendrica Ledel-Van der Steen met drie kinderen van Vught naar Gendt. Wanneer het paar drie maanden in Gendt is, baart Hendrica weer een kind. Voordat ze in 1889 vertrokken uit Gendt werd nog een kind geboren. Leopold overleed te Erp bij Veghel op 21 maart 1903.

Benoeming gemeentearts

Op 4 augustus1888 neemt de gemeenteraad het besluit tot samenwerking met de dorpen Doornenburg en Angeren voor de benoeming van een gemeente-arts. De heer I.H. van Bouwdijk Bastiaanse, geneesheer te Bemmel geniet voor het waarnemen der armen-praktijk alhier, met bijlevering van alle medicamenten, de som van ƒ 800.- per jaar en ƒ 40.- voor het verrichten van doodschouw. Dokter Bouwdijk Bastiaanse verrichte dus in die tijd zo nodig ook werkzaamheden in Gendt.

1891-1896 Jan Bom Geneesheer

Jan Bom, geboren 19 juli 1838, vestigde zich in 1891 met Maria Hendrina Gunckel en drie kinderen in Gendt. Het gezin kwam van Apeldoorn. In 1896 vertrokken ze naar Wageningen. In zijn tijd kwam er ook in Gendt een lijkenhuisje.

Lijkenhuisje

Op 4 december 1872 (staatsblad no. 134) trad de wet tot wering van besmettelijke ziekten in werking. In april 1873 nam de Commissaris des Konings het besluit ‘dat bij elke begraafplaats, uiterlijk binnen een jaar na het in werking treden van de wet, een locaal behoort te worden ingericht voor tijdelijke bewaring van overledenen aan ene besmettelijke ziekte’. Door deze overledenen snel te isoleren in zo’n huisje hoopte men verspreiding van deze ziekte tegen te gaan. Het besluit ging nog als volgt verder: ‘Het is alzoo noodig het vooronderstelde lijk eene verblijfplaats te verschaffen, die mogelijk maakt dat ook een schijndode weder bijkomen kan’. Lijkenhuisjes (knekelhuisjes) kregen een dubbele functie. Register van den burgemeester Den 8 juli 1893 gewerd mij van den Weledele Heer Dr. Bom J. in deze gemeente toen praktiserende geneesheer het bericht dat bij Hendrikus Opgenoort een dochter genaamd Wilhelmina oud 16 jaar aan de besmettelijke ziekte difteritis was overleden. Waarschijnlijk heeft Wilhemina vanwege haar besmettelijke ziekte op de Openbare Begraafplaats in Gendt in het lijkenhuisje gestaan.

1896-1900 Richard Hol, geneesheer

In 1896 kwam hij met zijn vrouw Maria Petronella Henriette Dreessen van Baexem (Limburg) naar Gendt. Op 9 augustus 1900 vertrokken ze naar Uithuizen (Groningen). In de periode dat Richard Hol geneesheer is in Gendt doet burgemeester MaasGeesteranus een bijzondere aanvraag voor een Gendtse ingezetene.
Afbeelding8
Aan de Nederlandsche Vereeniging ‘De Steurs’ tot het verschaffen van kunst ledematen aan behoeftige verminkten Te ’s Gravenhage Gendt den 14 augustus 1897. Hiernevens heb ik de eer U een request te zenden van een onvermogende J. Hendriks uit den gemeente die uwer vereniging vraagt hem in het bezit te willen stellen van een kunstbeen. Hendriks is een oppassend man, die naar waarheid zoals in bijgaand request vermeld, met zijn naaimachine de boeren afgaat om zodoende zijn kost te kunnen verdienen. Uwe vereeniging werd hem aanbevolen Mocht het van mij afhangen, dan ondersteun ik gaarne zijn verzoek daar de gemeente financieel niet in staat is hem hierin te helpen en dan de meerdere armen niet, het kleine bedrag daarvoor op de begroting uitgetrokken, aan één persoon kan en mag besteden. De uitgestrektheid dezer gemeente met de gehuchten Hulhuizen, Flieren, Capel en Galgendaal, maken dan de kleiwegen in den winter een kunstbeen verdragelijk. Gaarne beveel ik Hendriks in uwe welwillendheid aan. De Burg Hendriks kon ondanks zijn handicap als kleermaker de kost verdienen door met zijn naaimachine overal ter plekke kleding te repareren. Gendt, den 26 october 1897 Naar aanleiding Uwer missive d.d. 22 october j.l. N.1090 waarbij ƒ 40.- door Hare Majesteit de Koningin Regentes verleend in eens aan J. Hendriks als bijdrage voor de aanschaf van een kunstbeen, heb ik de eer U de daarbij gevoegde kwitantie behoorlijk terug te zenden.

1900-1905 Richardus Nicolaas Maria Eyckel, geneesheer  

Richardus Nicolaas Maria Eyckel werd 26 mei 1873 te Amsterdam geboren. Hij studeerde in zijn geboortestad waar hij in 1900 tot arts werd bevorderd. Richardus trouwde met Alida Maria Petronella Apollonia Meulenmeester. Het paar kwam in 1900 van Amsterdam naar Gendt. In Gendt is in 1904 hun zoon Nicolaas geboren. Het gezin vertrok in 1905 naar Arnhem. Daarna vestigde hij zich te Didam. Richardus was van 1906 tot 1913 verbonden aan de gemeente Didam. Toen in 1908 het St. Albertus ziekenhuis werd geopend, zorgde hij op eigen kosten voor het meubilair. Hij was schoolarts en chirurg in dat ziekenhuis. De Didammers hoefden niet meer naar elders om een operatie te laten uitvoeren. Eyckel werd inspecteur en later hoofdinspecteur voor de volksgezondheid. 1 januari 1939 legde hij zijn ambt neer, doch spoedig nam hij tengevolge van de ziekte en overlijden van zijn opvolger de oude werkzaamheden weer tijdelijk waar. Van zijn hand zijn talrijke artikelen verschenen onder andere in samenwerking met prof. Nolen, prof. Hijmans van den Berg e.a. Richardus Eyckel was ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw.

Bronnen:

Gelders Archief Asperen, Chris van, ‘De gezondheidsituatie in Gendt rond 1870’, in: Ganita mare 2012-3, 5-12 Verheijen-Vernooy, Dolly, ‘Dokter Jacob Joachim Gefken’, in: Millings Jaarboek 2011, 129-133 Katholieke Illustratie, jrg. 54, ( 1919-1920), Dr. Eykel, hoofdinspecteur der Volksgezondheid. Met dank aan Ton van Raaij, secretaris Millings Jaarboek en Yvonne de Boer en Geert Visser.

Henk Klaassen 

 

 

 

Vondstmelding Huis te Gendt

Van de heer Matijs Tijnagel, die woont aan de Burgemeester van der Meulenlaan 19A te Gendt, kregen we onlangs een aantal dozen vol met scherven. Hij had ze vanaf de jaren negentig bij werkzaamheden in zijn tuin verzameld. Ten zuiden van zijn huis stond een oude boomgaard; bij het rooien van de bomen werden deze vondsten gedaan. Ze waren wijd verspreid en werden in de bovenste halve meter van de bodem van de boomgaard aangetroffen. Aan de breukvlakken is te zien dat ze na het gebruik zijn weggegooid. Een aantal scherven had de heer Tijnagel laten determineren door de heer W. Tuijn van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland. Ook aan onze amateur archeoloog Wim Otemann werden de scherven getoond. De heer Tijnagel heeft ze nu ter beschikking gesteld van de Historisch Kring Gente.

Afbeelding9De dozen bevatten scherven van ongeglazuurd en geglazuurd aardewerk alsook gekleurd aardewerk: scherven van voorraadpotten, bodemfragmenten en randscherven. De scherven geven een mooi overzicht van de vroege bewonersperiode van deze plek tot aan het heden: Bataafs, Romeins, Merovingisch, Middeleeuws, aardewerk uit de Rijnstreek en recent Maastrichts aardewerk (Regout).

Verder bevatten de dozen glasscherven, kleine flesjes, botfragmenten en kiezen van dieren, metalen voorwerpen, hang- en sluitwerk, bestek, gesmede spijkers, een loden musketkogel, munten en benen knopen.
Heel bijzonder waren de vele pijpresten gemaakt van witbakkende pijpaarde. Overal in Gendt vinden we deze pijpresten terug, en met een beetje geluk ook nog hele pijpen. Omdat op deze plek van Huis te Gendt, wel heel veel fragmenten, daterend vanaf ongeveer 1600 tot ongeveer 1900 gevonden zijn, hebben we besloten om deze nader te gaan onderzoeken. Bijzonder was, dat een aantal pijpstelen voorzien was van de Franse lelie. Bekend is dat het achttiende eeuwse Huis te Gendt bewoond werd door de familie Des Villates, die van Franse origine was.


De bewoners van Huis te Gendt

De eerste bewoners van het huis (rond 1730 gebouwd) waren de leden van het geslacht van Pan-thaleon van Eck. De familie Panthaleon van Eck stierf in 1749 uit. De nieuwe bewoners uit de vrouwelijke lijn werden de heren van Gendt. De eerste was Hendrik des Villates (1750-1753). De tweede, zijn broer Diederik Bertram (1753-1789), was steeds in conflict met de burgers en het gilde van Gendt. Hij overleed op 27 juli 1789. Omdat de heer van Gendt kinderloos stierf, werd hij opgevolgd door zijn broer, generaal-majoor der infanterie G.W.J. des Villates, die de nieuwe bewoner werd, maar merendeels in Nijmegen verbleef. Ook deze overleed kinderloos in 1805 in het huis te Nijmegen. De nieuwe eigenaar werd de schepen Gerrit Willem Merkes die het huis op 5 november 1805 voor ƒ 5801,00 kocht. Deze werd geen heer van Gendt, want de rechten van de heerlijkheid Gendt en Erlecom werden in 1806 deels en in 1818 helemaal gekocht door A.F van den Steen. Deze rechten waren het rechtspreken en de jacht- en de visrechten in de Waal aan de Gendtse zijde. Na zijn dood erfde de dochter van Van den Steen deze heerlijkheidsrechten, die overgingen op de burgemeester van Gendt, de heer C.H. Phaff, haar echtgenoot.

Gerrit Willem Merkes werd nadat hij schepen en wethouder was geweest in 1833 de nieuwe burgemeester. Zijn zoon Johan werd in 1843 heer van Gendt toen hij de heerlijkheidsrechten kocht. Hij werd in 1847 verheven in de adelstand en noemde zich toen Jonkheer Merkes van Gendt. Zijn zus, die in 1827 trouwde met Aert van der Goes, woonde na haar huwelijk met haar man een jaartje bij haar ouders op Huis te Gendt. Later komen beiden terug naar Gendt en worden zij de nieuwe bewoners van Huis te Gendt. Van der Goes wordt burgemeester van Gendt en daarna volgt zijn zoon Jacob hem weer op als burgemeester. In elk geval zullen de vondsten die gedaan zijn merendeels gebruiksvoorwerpen zijn geweest van deze voor Gendt belangrijke bewoners van het Huis te Gendt.

Determineren van de pijpvondsten

Afbeelding10Omdat er opvallend veel pijpfragmenten zijn gevonden, in totaal 67 stuks, besloten we om deze nader te gaan onderzoeken. We hebben gekeken naar het materiaal waarvan deze pijpfragmenten waren gemaakt, de afmetingen en welk onderdeel van de pijp gevonden is. Complete pijpen zijn er niet gevonden; niet verwonderlijk gezien de lange kwetsbare steel. Ook hebben we gekeken naar de versieringen of hielmerken; opvallend zijn de drie steelfragmenten met een afbeelding van de Franse lelie, mogelijk een relatie met de Des Villates? De vorm en afmeting van de kop van de pijp vertellen iets over de ouderdom van de pijpfragmenten. De oudste pijpkoppen dateren uit de zeventiende eeuw, nog voor de periode van de ons bekende bewoners van het Huis te Gendt. Andere vondsten duiden overigens ook al op vroegere bewoning in de nabijheid. De eerste pijpen hebben een kleine kop die in het verlengde van de steel staat, onder een kleine hoek.

Een korte geschiedenis van het roken

Tabak was in de introductieperiode in Europa zeer kostbaar en dus maar voor een kleine groep welgestelden bereikbaar. Later werden de pijpenkoppen groter en werden ze voor het merendeel haaks op de steel geplaatst. De toename van de kopgrootte wijst op een prijsdaling van de tabak, waarmee het pijproken meer en meer ook in het bereik kwam van de gewone man. Bijna alle pijpenkoppen hebben versieringen in de vorm van puntjes, streepjes en/of afbeeldingen. Bij die pijpen past ook een korte geschiedenis van de rookgewoonten en het pijproken, die zich tussen 1500 en 1700 over heel de wereld en dus ook naar Gendt verspreidden. Het roken van tabak komt oorspronkelijk uit Zuid-Amerika. Tussen 5000 en 3000 vóór Christus werd tabak verbouwd in het bergachtige grensgebied van de huidige staten Peru en Ecuador. In tegenstelling tot tegenwoordig – nu het roken van tabak meer en meer beschouwd wordt als een dodelijke verslaving – werd tabak door de oude Amerikanen beschouwd als geneesmiddel tegen oogaandoeningen en als laxeermiddel, als magische bescherming van de strijders voor een gevecht. Aangezien het soms op de velden werd uitgestrooid alvorens deze in te zaaien, vermoedt men dat ook al haar insectendodende werking bekend was; daarnaast werd het als genotmiddel gebruikt dat je roken en kauwen kon en tenslotte als verdovend middel. Tegen 1492 na Christus – de tijd dat Columbus de kust van het Amerikaanse continent ‘ontdekte’ – was tabak in Midden-Amerika allang wijd verspreid en werd ze ‘gerookt’ in de vorm van opgerolde gedroogde tabaksbladeren (de voorvader van onze sigaar) en ook in houten pijpen.

Volgens de overlevering hadden twee schepelingen van Columbus dit gebruik van de Indianen overgenomen en deze gewoonte overgebracht naar Spanje, waar één van de twee, Rodrigo de Jerez, na het in het openbaar roken, door de Spaanse Inquisitie werd opgepakt, ‘omdat’.– zo stond er in de aanklacht– ‘alleen de duivel de mens de kracht kon geven om rook via de mond naar buiten te blazen’. Toen hij zeven jaar later vrijkwam, was de gewoonte om tabak te roken zich al aan het verbreiden. Ondanks dat werden de eerste zaden van de plant in 1577 in Spanje geïntroduceerd als bestrijdingsmiddel tegen plagen van sprinkhanen (in het Spaans cigarras, waaruit waarschijnlijk ons woord ‘sigaar’ is ontstaan). Door de Franse ambassadeur in Spanje, Jean Nicot werd de plant gebracht naar Frankrijk, waar de Franse koningin Catharina de Medici de rook van fijngesneden gedroogde tabak kreeg voorgeschoteld als geneesmiddel tegen haar migraineaanvallen. Van daaruit raakte tabak ook in de rest van Europa bekend. De Zweedse wetenschapper Linnaeus, die in de achttiende eeuw een systematische naamgeving van alle toen bekende planten in het Latijn (het Engels van de toenmalige wetenschappers) maakte, bedacht ter ere van Nicot de naam nicotiana voor de tabaksplant, waar ons woord nicotine weer van is afgeleid.

De gewoonte om tabak te roken als genotmiddel verspreidde zich intussen onder de bovenlaag van de maatschappij (tabak was aanvankelijk ontzettend duur) en het werd niet als gezondheidsprobleem herkend vóór de negentiende eeuw, toen tabak ook in Europa massaal werd gebruikt (en de prijzen daalden), zodat het middel ook ter beschikking kwam van minder kapitaalkrachtigen. Ook de Gendtse landbouwer kon zijn inkomen vanaf ongeveer 1800 aanvullen met de opbrengsten van de tabaksteelt omdat de Betuwse bodem daar geschikt voor was en hij kon er bovendien zelf een pijpje van roken.

Bronnen

de Boer-Ravestein, Yvonne, Huis te Gendt en zijn bewoners, Ganita Mare 2013-2, p. 19-24 Klaassen, Henk, Het roken van tabak 1492-2000, Marktpraat 2000, F 21 Wikipedia https://nl.wikipedia.org/wiki/Roken_(tabak) Wikipedia: https://es.wikipedia.org/wiki/Historia_del_tabaco

 

 

 

Kersenkoningin 2014 Nicole Hermsen

Nicole familieNicole is geboren op 5 juli 1990 te Gendt als dochter van Gera Meijer en Peter Hermsen. Zij groeide op als een lief, vrolijk en aardig meisje dat precies wist wat ze wilde. Altijd druk met haar poppen, knutselen, dansen en zingen, kortom een gezellig kind, de vrolijkheid zelve. Zij is leergierig en zorgzaam en voor haar broer (Lex) en zus (Lisa) was en is zij een lieve zus. Zij heeft veel voor haar zus over en is menig keer tussenbeide gekomen om als scheidsrechter op te treden en een ruzietje te sussen! Dansen was haar grootste hobby; zij was er dol op. Zo werden er ook vaak met de kinderen uit de buurt dansjes ingestudeerd. Deze ingestudeerde dansjes moesten natuurlijk ook aan publiek getoond worden. Zo gebeurde het dat de mama’s vaak werden uitgenodigd voor de uitvoering van de voorstelling onder het genot van een kopje koffie. Nicole behoorde tot de eerste dansgarde van De Vonkenmorgen. Zij heeft ongeveer zes jaar balletles gevolgd. Het ging zelfs zo goed dat ze ook nog twee jaar op de Dansacademie (Hogeschool voor de Kunsten) in Arnhem heeft gezeten.

Echter toen het moment daar was om een schoolkeuze voor het voorgezet onderwijs te maken, is ze afgehaakt. Nicole en RobDit omdat Nicole dan zou moeten stoppen met voetballen! Voetbal genoot toch haar voorkeur. Ballet en voetbal zijn echter twee verschillende sporten die absoluut niet samen gaan. Daarbij zou zij haar vriendinnen, waarmee ze vanaf groep 7 bij de Bataven voetbalde (het eerste meidenteam), minder vaak gaan zien en dat kon toch echt niet. Dus is ze naar het OBC in Bemmel gegaan en bij de Bataven gebleven. Hier werd zij met haar team in 2009 kampioen!

Ook heeft zij samen met een vriendin een paar jaar een F-team getraind en begeleid. Maar naast ballet wilde Nicole toch ook wel stijldansen. Samen met haar vriendinnen heeft ze op dansles gezeten, waar zij (toen al) samen met Rob Aarntzen heeft afgedanst in Ballroom! Na het behalen van haar havo-diploma heeft Nicole de studie Sociaal Pedagogische Hulpverlening op de HAN in Nijmegen gedaan, waardoor ze nu als Sociaal Pedagogisch Hulpverleenster werkzaam is bij de Pompe-Stichting in Zeeland (NBr). Door haar werk heeft zij wel moeten stoppen met voetballen, aangezien dit niet meer te combineren viel met haar baan: een lastige keuze Toch is Nicole nog vaak te vinden bij de Bataven, dit omdat haar vriend Rob Aarntzen in het eerste elftal speelt waardoor zij, wanneer het werk het toelaat, zondags naar de wedstrijd komt kijken.

Kersenkoningin NicoleWellicht is dit ook de reden geweest dat zij in 2014 door de Bataven werd gevraagd om hun Kersenkoningin te worden. Heel spannend vond ze dit, maar ook een hele eer. Die rol heeft zij met verve vervuld. Samen met Iris en Milou heeft zij drie dagen lang genoten van alles wat er in Gendt georganiseerd was. Van alle reacties die zij hebben gekregen, van alle aandacht, ze hebben genoten!! Nicole is uitgegroeid tot een mooie volwassen vrouw die nog steeds weet wat ze wil, die eerlijk durft te zijn en geniet van haar leven. Die nog steeds Lex en Lisa helpt waar dat nodig is en zorgzaam is voor iedereen die haar lief is. Zo ook voor haar halfbroertje Rick (5) en halfzusje Iris (3). Ondanks dat Nicole al getrouwd is, komt ze nog wekelijks langs om lekker te lunchen, een theetje te doen of gewoon even gezellig bij te kletsen. Voor haar ouders is zij een grote steun en toeverlaat.
...en hier is de kwartierstaat van Nicole te zien..

Willem Rasing

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn